Uitspraak
22.767 WLZ
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 februari 2020 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een persoon met het downsyndroom en een pgb op grond van de Wet langdurige zorg, kreeg het pgb voor 2016-2018 lager vastgesteld na onderzoek naar pgb-fraude bij een thuiszorgorganisatie. Het zorgkantoor herzag het pgb en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug wegens minder geleverde zorg dan gedeclareerd.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat de belangenafweging de goede trouw van betrokkene moest meenemen en dat de herziening onevenredig was. Het zorgkantoor ging in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat de bescherming van de budgethouder te goeder trouw niet in de fase van vaststelling en terugvordering ligt, maar bij de civiele invordering. De belangenafweging door het zorgkantoor was niet onevenredig en het terugvorderen van €36.208,89 was terecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van het zorgkantoor wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot lagere vaststelling en terugvordering van het pgb blijft in stand.