ECLI:NL:CRVB:2021:626
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAZ-uitkering na intrekking en overgang naar nieuwe EU-verordening
Appellante was arbeidsongeschikt geworden als zelfstandige in Portugal en kreeg op grond van Verordening 1408/71 een WAZ-uitkering toegekend per 1 juni 2007. Deze uitkering werd in 2014 ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedroeg. In 2016 meldde zij zich opnieuw met toegenomen klachten, maar het Uwv weigerde een nieuwe uitkering toe te kennen omdat zij niet langer verzekerd was onder de WAZ.
De Centrale Raad oordeelde dat appellante geen recht had op een WAZ-uitkering omdat de fictie van verzekering onder Verordening 1408/71 was vervallen en zij niet viel onder de overgangsbepalingen van Verordening 883/2004, die een tijdsvoorwaarde stelt dat arbeidsongeschiktheid vóór 1 augustus 2004 moet zijn ingetreden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het recht op eigendom werd verworpen omdat er geen gerechtvaardigde verwachting bestond.
Ook het verzoek om herziening van het oorspronkelijke besluit over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden. De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. De procedurekosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op een WAZ-uitkering na 2014 en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.