Appellant ontving sinds 2009 een Wajong-uitkering en werkte vanaf 2016 betaald via een jobcoachingsbedrijf bij het UMC. Het UWV herzag de uitkering met terugwerkende kracht over de periode 1 maart 2016 tot en met 31 januari 2018 en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV de beleidsregels consistent had toegepast en dat appellant redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat zijn inkomsten invloed hadden op zijn uitkering. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV op de hoogte was van zijn inkomsten en dat terugvordering onaanvaardbare gevolgen zou hebben.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en stelde vast dat de bepalingen van dwingend recht zijn en dat het UWV de terugvordering terecht heeft gedaan. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, ook niet vanwege het late optreden van het UWV. Het beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.