ECLI:NL:CRVB:2021:724
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking WW- en ZW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband met slapende BV
Appellant had een WW-uitkering aangevraagd en ontvangen over de periode van januari tot april 2017, met de bewering dat hij in 2016 voor een BV had gewerkt. Het UWV voerde een onderzoek uit waaruit bleek dat de BV een slapende vennootschap was zonder activiteiten of salarisbetalingen en concludeerde dat het dienstverband gefingeerd was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende had onderbouwd dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel werkzaamheden had verricht, maar kon dit niet concreet onderbouwen en leverde geen objectief bewijs.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in 2016 daadwerkelijk werkzaam was voor de BV. De uitkeringen zijn daarom terecht ingetrokken en teruggevorderd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen dienstbetrekking had en dat de WW- en ZW-uitkeringen terecht zijn ingetrokken en teruggevorderd.