ECLI:NL:CRVB:2021:737
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet opgegeven transacties en schending inlichtingenplicht
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Het college voerde een onderzoek uit naar de rechtmatigheid van de bijstandverlening, waarbij bleek dat appellanten bedragen via Western Union ontvingen en overmaakten zonder controleerbare gegevens over de herkomst. Tevens werden meerdere motorvoertuigen op naam van appellant geregistreerd, wat duidt op handelstransacties die niet waren gemeld.
Het college herzag en trok de bijstand in diverse maanden in verband met deze transacties en schending van de inlichtingenplicht. Appellanten voerden in bezwaar en beroep aan dat de bedragen ten onrechte niet waren gesaldeerd en dat er geen sprake was van handel, maar deze gronden werden niet gegrond verklaard. De Raad oordeelde dat het college terecht de bijstand had verminderd en ingetrokken, en dat de terugvordering rechtmatig was.
De Raad bevestigde dat het college bij niet zelfstandige terugvorderingsbesluiten omissies kan herstellen door alsnog intrekkingsbesluiten te nemen, zonder strijd met het verbod van reformatio in peius. Controleerbare gegevens over de transacties ontbraken, waardoor appellanten niet konden aantonen recht te hebben op bijstand in de betrokken maanden.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet opgegeven transacties en schending van de inlichtingenplicht.