ECLI:NL:RBLIM:2023:7430
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens extreem laag waterverbruik en hoofdverblijfkwestie
Eiser ontving vanaf maart 2016 bijstand en stond ingeschreven op een adres in [plaats]. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals trok de bijstandsuitkering in en vorderde deze terug over de periode 1 maart 2016 tot en met 10 december 2020, vanwege vermoedens dat eiser niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Dit vermoeden baseerde het college op extreem laag waterverbruik, buurtonderzoek, afwezigheid bij huisbezoeken en het niet legen van afvalcontainers.
Eiser voerde aan dat hij zuinig leefde, zijn afval in openbare prullenbakken deponeerde en dat zijn uitgaven in de buurt van het woonadres waren. De rechtbank oordeelde dat het extreem lage waterverbruik in de periode 6 mei 2017 tot en met 2 april 2020 de vooronderstelling rechtvaardigt dat eiser niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Eiser slaagde er niet in dit te weerleggen met geloofwaardige feiten.
Voor de periodes 1 maart 2016 tot en met 5 mei 2017 en 3 april 2020 tot en met 10 december 2020 was het waterverbruik niet extreem laag, waardoor het college deze intrekking en terugvordering niet kon handhaven. De rechtbank vernietigde het besluit voor deze periodes en bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen over de hoogte van de terugvordering. Het beroep van eiser werd daarmee gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep is gedeeltelijk gegrond verklaard; intrekking en terugvordering over twee periodes vernietigd, over de tussenliggende periode gehandhaafd.