ECLI:NL:CRVB:2021:760
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toeslag geweigerd wegens partner geboren na 1971 zonder jong kind, geen bijzondere omstandigheden
Appellante, die sinds 1998 recht heeft op een WAO-uitkering, vroeg in december 2016 een toeslag aan omdat zij weer in Nederland woonde. Het UWV weigerde deze toeslag omdat haar partner na 31 december 1971 is geboren en zij geen kind jonger dan 12 jaar heeft, zoals bepaald in artikel 3 van Pro de Toeslagenwet (TW).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat artikel 3 TW Pro dwingendrechtelijk is en dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een afwijking rechtvaardigen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar partner vanwege zijn vreemdelingenrechtelijke status niet mocht werken, wat een bijzondere omstandigheid zou zijn die de strikte toepassing van artikel 3 TW Pro onredelijk maakt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro geldt en dat alleen bij hoge uitzondering niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden tot afwijking kunnen leiden. De enkele omstandigheid dat de partner niet mocht werken vanwege zijn verblijfstitel is onvoldoende om artikel 3 TW Pro buiten toepassing te laten. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door J.S. van der Kolk op 7 april 2021.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van toeslag wordt bevestigd.