ECLI:NL:CRVB:2021:812
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- L.M. Tobé
- D. HardonkPrins
- R.M. van Male
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering persoonsgebonden budget na overlijden verzekerde
De zaak betreft het hoger beroep tegen de intrekking en terugvordering van het persoonsgebonden budget (pgb) dat door het zorgkantoor was verleend aan betrokkene, die in 2011 is overleden. Het zorgkantoor had vastgesteld dat in de verantwoordingsformulieren zorg was verantwoord die na het overlijden niet kon zijn verleend, waardoor de subsidievaststellingen voor 2011 en 2012 onjuist waren. Het pgb voor 2013 werd ingetrokken.
Appellanten voerden aan dat zij niet wisten dat het pgb na overlijden niet meer kon worden toegekend en dat het zorgkantoor niet tijdig had gehandeld. De Raad oordeelde dat het zorgkantoor bevoegd was om de subsidievaststellingen te wijzigen en de subsidieverlening in te trekken op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De belangenafweging was naar het oordeel van de Raad redelijk, ondanks de persoonlijke omstandigheden van appellanten.
De Raad bevestigde dat het zorgkantoor onverschuldigd betaalde bedragen terecht terugvorderde en dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd, met een verbetering van de gronden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het pgb is terecht ingetrokken en teruggevorderd na het overlijden van betrokkene.