ECLI:NL:CRVB:2021:821

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 april 2021
Publicatiedatum
13 april 2021
Zaaknummer
18/3958 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a SchattingsbesluitWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998)Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen

Appellante ontvangt sinds 2000 een Wajong-uitkering vanwege chronische vermoeidheidsklachten en diverse medische aandoeningen. Het UWV heeft in 2017 vastgesteld dat zij arbeidsvermogen heeft, waardoor haar uitkering per 1 januari 2018 werd verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

De rechtbank heeft dit besluit bevestigd na beoordeling van medische rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, die concludeerden dat appellante ten minste vier uur per dag en één uur aaneengesloten belastbaar is, ondanks haar beperkingen. Appellante voerde bezwaar aan tegen deze beoordeling, maar kon dit niet met medische stukken onderbouwen.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank onderschreven en het standpunt van het UWV bevestigd. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de medische conclusies en benadrukte dat appellante tijdens de hoorzitting een uur geconcentreerd kon deelnemen zonder tekenen van toenemende vermoeidheid.

De Raad concludeert dat appellante voldoet aan de voorwaarden voor arbeidsvermogen zoals gesteld in het Schattingsbesluit, waardoor de verlaging van haar Wajong-uitkering terecht is. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante arbeidsvermogen bezit en de verlaging van haar Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon terecht is.

Uitspraak

18.3958 WAJONG

Datum uitspraak: 12 april 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
7 juni 2018, 17/4383 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad stukken ingediend.
Appellante heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2021. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Sjoer.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren [geboortedatum] 1978, heeft in verband met chronische vermoeidheidsklachten sinds 30 mei 2000 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2.
Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 12 juli 2016 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat het Uwv bezig is om alle mensen met een Wajonguitkering te beoordelen op hun mogelijkheden om weer te gaan werken en dat meer informatie nodig is om dit arbeidsvermogen bij appellante vast te kunnen stellen. Een verzekeringsarts heeft informatie opgevraagd en verkregen van de behandelend psycholoog en de behandelend MDL-arts. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 22 februari 2017 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.
1.3.
Bij besluit van 19 september 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 februari 2017 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat in de rapporten van de verzekeringsartsen voldoende is onderbouwd dat appellante tenminste vier uur per dag en één uur aaneengesloten belastbaar is. Daarbij heeft zij overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening heeft gehouden met de hevige vermoeidheidsklachten die gepaard kunnen gaan met de bij appellante gediagnosticeerde ziektes primaire biliaire cholangitis, M. Sjögren en met het prikkelbare darmsyndroom, ook in de combinatie met de psychische klachten van appellante. Rekening is verder gehouden met een zeer beperkte fysieke belastbaarheid en met beperkingen op mentaal en sociaal vlak. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt de stelling van appellante, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte uit haar dagverhaal heeft afgeleid dat zij vier uur per dag belastbaar is, niet. Daarbij heeft zij overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dagverhaal van appellante niet heeft gebruikt als een optelsom van het aantal uren dat appellante per dag belastbaar wordt geacht, maar dat het mede ten grondslag ligt aan de medische inschatting en beoordeling. Verder heeft de rechtbank van belang geacht dat de verzekeringsarts heeft toegelicht dat de conditie van appellante door de lange duur van haar ziekte en haar inactiviteit achteruit is gegaan, dat appellante zich door haar psychische problemen moeilijk tot activiteit kan zetten, maar dat hij verwacht dat appellante na enige gewenning in staat zal zijn vier uur per dag belastbaar te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij meer beperkt is dan de verzekeringsartsen van het Uwv hebben aangenomen of waaruit kan worden afgeleid dat zij niet in staat is één uur aaneengesloten en/of vier uur per dag te werken. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om aan de beoordeling van de verzekeringsartsen te twijfelen.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat zij geen arbeidsvermogen heeft, zodat zij met ingang van 1 januari 2018 onveranderd recht heeft op een uitkering ter hoogte van 75% van het minimumloon. Volgens appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geconcludeerd dat zij wel één uur onafgebroken dan wel vier uur per dag in werk actief kan zijn. Appellante heeft gesteld dat uit haar eigen verhaal, uit de rapporten van de verzekeringsartsen en uit de medische stukken niet valt op te maken dat zij kan werken.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2078.
4.2.
In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante op
1 januari 2018 arbeidsvermogen had. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van één uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of bij een betrokkene sprake is van (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen arbeidsvermogen. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018 en 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:286.
4.3.
Partijen houdt verdeeld de vraag of appellante voldoet aan de voorwaarden dat zij niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van één uur en niet ten minste vier uur per dag belastbaar is.
4.4.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook van belang heeft geacht dat appellante tijdens de hoorzitting en het spreekuur in staat is gebleken om een uur geconcentreerd een gesprek te kunnen voeren en zij tijdens de hoorzitting geen opvallende kenmerken van toenemende vermoeidheid kreeg. Verder wordt vastgesteld dat appellante ook in hoger beroep geen medische stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat zij niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van één uur en niet tenminste vier uur per dag belastbaar is.
4.5.
Appellante heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen het standpunt van het Uwv dat zij een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie en over basale werknemersvaardigheden beschikt. Deze voorwaarden behoeven daarom geen bespreking.
4.6.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat appellante beschikt over arbeidsvermogen. Gelet hierop is de Wajong-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2018 terecht verlaagd naar 70% van het minimumloon.
4.7.
De overwegingen in 4.3 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en
F.M. Rijnbeek als leden in tegenwoordigheid van M. Géron als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2021.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) M. Géron