ECLI:NL:CRVB:2021:867
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering en weigering WIA-uitkering na zorgvuldige beoordeling
Appellante was administratief assistent en meldde zich ziek op 9 februari 2016. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe vanaf 3 maart 2016. Na een eerstejaars beoordeling werd de uitkering voortgezet, maar bij een toetsing in het tweede ziektejaar concludeerde een verzekeringsarts dat appellante belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige stelde vast dat appellante nog 100% van haar maatmaninkomen kon verdienen met geselecteerde functies.
Het UWV beëindigde daarom de ZW-uitkering per 8 januari 2018 en weigerde een WIA-uitkering omdat appellante de wachttijd van 104 weken niet had voltooid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de vastgestelde belastbaarheid juist was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische klachten en dat zij geen arbeidsvermogen had, mede door een vorm van dementie.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het UWV voldoende rekening had gehouden met alle klachten en dat het rapport van A-REA, dat dateerde na de datum in geding, geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. De Raad stelde vast dat het UWV de functies medisch geschikt had bevonden en dat de afwijzing van de WIA-uitkering terecht was, ondanks een formeel motiveringsgebrek dat met toepassing van de Awb werd gepasseerd. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering en weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.