ECLI:NL:CRVB:2021:886
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek terugkomen op intrekking WAO-uitkering wegens ziekte van Parkinson
Appellant, voormalig medewerker expeditie, kreeg in 1990 een WAO-uitkering toegekend die in 2002 werd ingetrokken omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd vastgesteld. In 2012 werd bij appellant de ziekte van Parkinson vastgesteld, waarvan vermoedelijk de symptomen al tien jaar eerder aanwezig waren. Appellant verzocht in 2016 het UWV om herziening van het besluit uit 2002, stellende dat destijds de ziekte van Parkinson niet was onderkend.
Het UWV wees het verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die het eerdere besluit zouden kunnen wijzigen. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat de diagnose Parkinson niet automatisch betekent dat de eerdere beoordeling onjuist was. De Raad toetste het hoger beroep en oordeelde dat appellant in wezen dezelfde gronden herhaalde zonder nieuwe onderbouwing.
De Raad benadrukte dat nieuwe feiten tijdig bij de aanvraag of bezwaar moeten worden aangevoerd en dat de diagnose Parkinson op zichzelf niet voldoende is om het besluit evident onredelijk te achten. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering uit 2002 blijft gehandhaafd.