Uitspraak
18.3329 PW, 21/819 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak, voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 maart 2021 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt bijstand sinds september 2014. Tijdens een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand werden bankafschriften opgevraagd waaruit bleek dat appellant gokactiviteiten verrichtte in november 2015, januari 2016 en oktober 2016. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok de bijstand over deze maanden in en vorderde een bedrag terug.
De rechtbank oordeelde dat appellant de gokactiviteiten niet had gemeld en daardoor de inlichtingenverplichting had geschonden, waardoor het recht op bijstand over november 2015 en januari 2016 niet kon worden vastgesteld. De intrekking over oktober 2016 werd echter vernietigd wegens ondeugdelijke motivering. Het college herzag het besluit en handhaafde de intrekking en terugvordering over november 2015 en januari 2016.
In hoger beroep betoogde appellant dat het college geen inzage mocht verlangen in bankafschriften over een langere periode dan drie maanden en dat hij niet gegokt zou hebben in januari 2016. De Raad verwierp deze gronden, oordeelde dat het college terecht inzage verlangde vanwege twijfels over de verstrekte inlichtingen en dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door niet te melden dat hij gokte.
Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij ondanks de gokactiviteiten recht op bijstand had. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraken en verklaarde het beroep tegen het nader besluit ongegrond.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand over november 2015 en januari 2016 wordt bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.