Appellant ontving sinds 2012 bijstand op grond van de Participatiewet. Na een heronderzoek in 2017 bleek uit bankafschriften dat er substantiële stortingen en bijschrijvingen door derden op zijn rekening plaatsvonden, terwijl appellant nauwelijks uitgaven voor levensonderhoud deed en geen verklaring gaf over de herkomst van deze bedragen.
Het college trok de bijstand met ingang van februari 2016 in en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de stortingen leningen voor zijn opleiding waren en dat hij niet vrij over de bedragen kon beschikken.
De Raad oordeelde dat appellant de herkomst van kasstortingen niet aannemelijk had gemaakt en dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld door het ontbreken van duidelijkheid over zijn financiële situatie. Het college had het bedrag van de terugvordering aangepast, waardoor de Raad het beroep gegrond verklaarde en het bestreden besluit vernietigde voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft. Het beroep tegen het nader besluit werd ongegrond verklaard.