Uitspraak
19.5373 PW
OVERWEGINGEN
29 januari 2019.
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Het college stelde een onderzoek in naar het water-, gas- en elektriciteitsverbruik en afvalledigingen op dit adres vanwege vermoedens dat appellant er niet woonde.
Op basis van deze gegevens concludeerde het college dat appellant zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had en trok de bijstand in met terugvordering van de kosten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was het onderzoek te doen en dat een extreem laag waterverbruik de vooronderstelling rechtvaardigt dat het hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres is. Appellant slaagde er niet in dit te weerleggen, ook niet met een verklaring over primitief leven en gebruik van een grondwaterput.
Verder faalde het beroep op dringende redenen om terugvordering te voorkomen, omdat appellant geen bijzondere omstandigheden aannemelijk maakte. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding werd eveneens geweigerd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.