ECLI:NL:CRVB:2021:949

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2021
Publicatiedatum
26 april 2021
Zaaknummer
20/2587 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:119 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening van bestuursrechtelijke uitspraak niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling griffierecht

De erven van verzoeker hebben verzocht om herziening van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 december 2009. De Raad heeft verzoeker meerdere malen gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €131,-, met een uiterste betaaldatum en de consequentie van niet-ontvankelijkheid bij niet-betaling.

Verzoeker heeft een verzoek om uitstel van betaling ingediend, dat is toegekend tot 12 februari 2021. Ondanks dit uitstel is het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald. De Raad concludeert dat verzoeker in verzuim is en verklaart het verzoek om herziening daarom niet-ontvankelijk.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing is genomen door D.S. de Vries, in aanwezigheid van griffier K.R. van Renswoude, en uitgesproken in het openbaar op 23 april 2021. Tegen deze uitspraak staat verzet open binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 23 april 2021
20/2587 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54, in verbinding met de artikelen 8:119 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 december 2009, 09/406
Partijen:
de erven van [verzoeker] te [woonplaats] , Marokko (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 18 december 2009, 09/406.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:119, tweede lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het verzoek om herziening.
Bij brief van 5 augustus 2020 is verzoeker erop gewezen dat een griffierecht van € 131,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 5 september 2020 is verzoeker nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, verzoeker er rekening mee moet houden dat het verzoek om herziening niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Bij brief van 9 september 2020, bij het LDCR op 7 oktober 2020 ontvangen, heeft verzoeker een verzoek om uitstel van betaling van het griffierecht gedaan.
De Raad heeft bij brief van 12 oktober 2020 verzoeker meegedeeld dat hij uitstel van betaling krijgt tot en met 12 februari 2021. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, verzoeker er rekening mee moet houden dat het verzoek om herziening niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat verzoeker niet in verzuim is geweest. Het verzoek om herziening is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2021.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) K.R. van Renswoude
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

RB

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale),
statue:
Déclare la requête de révision non recevable.
Par conséquent, décidée par D.S. de Vries, en présence de K.R. van Renswoude en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 23 avril 2021.
Les intéressés et les organes d’administration auront le droit à presenter une opposition écrite contre la présente decision, dans les six semaines suivantes à la notification de la copie, à la Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale), Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
L’intéressé présentant l’opposition pourra demander d’avoir l’opportunité d’être entendu sur son opposition.