ECLI:NL:CRVB:2021:97
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens verdiencapaciteit boven 65 procent
Appellant, voormalig koerier, meldde zich ziek met knieklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling stelde het UWV vast dat appellant met beperkingen nog 96,82% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarop de uitkering werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar en kreeg een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) met aanvullende beperkingen, waardoor zijn verdiencapaciteit op 89,19% werd vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat de medische rapporten voldoende waren en dat appellant de geselecteerde functies kon vervullen.
In hoger beroep voerde appellant aan niet te kunnen staan, lopen of langdurig zitten, en stelde dat de functies niet geschikt waren vanwege fysieke beperkingen en vermoeidheid. Hij vroeg om benoeming van een medisch deskundige. De Raad oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek had uitgevoerd, waarbij ook de gegevens van behandelend artsen waren betrokken. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de FML en de geschiktheid van de functies.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, waardoor de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd. Er was geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige of toewijzing van het beroep.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.