ECLI:NL:CRVB:2021:970
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen UWV inzake WAZ-uitkering en schadevergoeding
Verzoeker heeft een WAZ-uitkering ontvangen en daarnaast inkomsten als zelfstandige genoten. Het UWV heeft in 2013 de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35-45%. Na onderzoek in 2018 handhaafde het UWV deze vaststelling. Het bezwaar van verzoeker werd in december 2018 ongegrond verklaard. Tijdens de beroepsprocedure herzag het UWV in 2019 de mate van arbeidsongeschiktheid naar 80-100% voor 2014-2016, wat resulteerde in een nabetaling van €14.762,16.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om schadevergoeding af omdat verzoeker geen concreet schadebelang had. Verzoeker stelde dat hij door de nabetaling fiscaal een te hoog inkomen had, waardoor hij geen sociale huurwoning kon krijgen en noodgedwongen bij zijn moeder woont.
In hoger beroep verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening voor vergoeding van opslagkosten, extra inkomstenbelasting en huisvestingskosten, alsmede immateriële schadevergoeding. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het verzoek om schadevergoeding zal worden toegewezen, omdat het causale verband met het bestreden besluit niet is aangetoond en de immateriële schade niet voldoende is onderbouwd.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het UWV wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van schade en onrechtmatigheid.