ECLI:NL:CRVB:2021:988
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldige toetsing
Appellant, laatstelijk werkzaam als autopoetser, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding wegens rug- en enkelklachten. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant niet voldeed aan de wachttijd en minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Na bezwaar en beroep bleef het UWV bij deze beoordeling, waarbij de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werd aangescherpt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellant voldoende waren meegewogen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat relevante medische informatie onvoldoende was betrokken en dat een deskundige benoemd had moeten worden, mede op grond van het Korošec-arrest.
De Raad volgde dit niet en bevestigde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te dienen en dat er geen aanwijzingen waren voor een onjuiste beoordeling. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit een deugdelijke medische grondslag heeft en dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd medisch geschikt zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.