ECLI:NL:CRVB:2021:996
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens toerekening arbeidsinkomen aan juiste periode
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en verrichtte vanaf 7 mei 2019 oproepwerkzaamheden. Hoewel zij haar salaris over mei pas in juni 2019 ontving, heeft het college de bijstand met ingang van 7 mei 2019 ingetrokken en de teveel ontvangen bijstand teruggevorderd. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij in mei 2019 feitelijk geen inkomsten had ontvangen en daarom redelijkerwijs niet kon begrijpen dat zij te veel bijstand ontving. De Raad oordeelde dat inkomen uit arbeid moet worden toegerekend aan de periode waarin de werkzaamheden zijn verricht, ongeacht het moment van ontvangst van het salaris.
Verder overwoog de Raad dat intrekking van bijstand alleen mogelijk is indien de betrokkene redelijkerwijs kon begrijpen dat zij ten onrechte bijstand ontving. Appellante had kunnen begrijpen dat zij ten onrechte bijstand ontving omdat het college niet tot blokkering van de bijstand was overgegaan, ondanks eerdere communicatie van de klantmanager.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand zijn terecht omdat arbeidsinkomen moet worden toegerekend aan de periode van werkzaamheden en appellante dit redelijkerwijs kon begrijpen.