ECLI:NL:CRVB:2022:1021
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na beoordeling verdiencapaciteit en medische geschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als verzorgende, ontving een Ziektewetuitkering die het UWV beëindigde nadat een arbeidsdeskundige en verzekeringsarts hadden vastgesteld dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische beoordeling zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was.
In hoger beroep stelde appellante dat haar fysieke beperkingen, met name bekkeninstabiliteit, onvoldoende waren meegewogen. Zij voerde aan dat zitten, liggen en langdurig staan sterk werden afgeraden, wat een aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zou vereisen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellante geen nieuwe medische gegevens had overgelegd die het eerdere oordeel konden weerleggen.
De Raad bevestigde dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellante de aan haar toegerekende functies medisch gezien kon verrichten en daarmee meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.