Appellante, geboren in 1948, remigreerde in 2007 naar Suriname en ontving een voorziening op grond van de Remigratiewet, die in 2008 werd ingetrokken met terugvordering van €9.394,68. Na terugkeer in Nederland kreeg zij een AOW-pensioen toegekend. In 2015 verhuisde appellante opnieuw naar Suriname zonder dit te melden, waarna de Sociale Verzekeringsbank (Svb) het volledige AOW-pensioen inhoudde om de schuld te voldoen. Appellante keerde in 2017 terug naar Nederland en ontving weer haar pensioen en een AIO-aanvulling. Zij diende klachten in over gebrekkige voorlichting door de Svb en verzocht om kwijtschelding van de schuld, wat werd afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat de Svb terecht €546,90 aan schadevergoeding had toegekend en dat het besluit tot afwijzing van kwijtschelding in rechte vaststond. In hoger beroep stelde appellante dat bij juiste voorlichting zij niet naar Suriname was vertrokken en geen schuld had opgebouwd. De Svb handhaafde haar standpunt.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat zij niet bevoegd is kennis te nemen van hoger beroep tegen besluiten op grond van de Remigratiewet, noch van verzoeken om schadevergoeding die samenhangen met deze besluiten. Deze bevoegdheid ligt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarom verklaarde de Raad zich onbevoegd en zond het hoger beroep door. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante terugbetaald.