Appellante, woonachtig in Duitsland en werkzaam in een mini-job, verzocht om toelating tot de vrijwillige AOW-verzekering nadat haar verzoek aanvankelijk werd afgewezen wegens overschrijding van de aanmeldingstermijn. De rechtbank wees het beroep af, stellende dat de aanwijsregel van Verordening 883/2004 bepaalt dat Duitsland het aangewezen land is en dat de overschrijding niet verschoonbaar was.
In hoger beroep stelde appellante dat zij mocht vertrouwen op eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep uit 2016, waarin werd aangenomen dat zij verzekerd was voor de AOW tijdens haar mini-job. Pas in 2019 gaf het Hof van Justitie duidelijkheid dat Duitsland het sociale zekerheidsland is. Hierdoor was de late aanmelding verschoonbaar vanwege onbekendheid en complexiteit van de regelgeving.
De Centrale Raad van Beroep volgde appellante en oordeelde dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de overschrijding rechtvaardigen. De eerdere jurisprudentie en het verloop van prejudiciële vragen vormden voldoende bijkomende omstandigheden. De Raad vernietigde het bestreden besluit en droeg de Sociale verzekeringsbank op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij appellante wordt toegelaten tot de vrijwillige verzekering. Tevens werd de Sociale verzekeringsbank veroordeeld in de proceskosten.