Uitspraak
20 3269 WW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
A voor de ongemaximeerde berekeningsgrondslag per maand;
Centrale Raad van Beroep
Appellant was vanaf 1 september 2013 werkzaam als [functie 1] bij Stichting [naam stichting] en kreeg toen ontslag, waarna hij een lagere functie ([functie 2]) aanvaardde met een lager inkomen. De Stichting kende hem een loonsuppletie toe om het inkomensverlies te compenseren. Na eervol ontslag per 1 februari 2019 werd aan appellant een WW-uitkering toegekend met een dagloon van €209,73. Vervolgens werd een bovenwettelijke WW-uitkering (BW-uitkering) toegekend, waarbij het BW-dagloon aanvankelijk op €237,17 werd vastgesteld.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat het BW-dagloon €261,35 moest zijn. Na bezwaar werd het BW-dagloon aangepast naar €240,59, gebaseerd op het geïndexeerde dagloon dat appellant verdiende in zijn oude functie per 1 september 2013. De Stichting legde uit dat de eerder toegekende loonsuppletie te hoog was vastgesteld omdat appellant niet volledig had geïnformeerd over zijn inkomsten uit de nieuwe functie, en dat de correctie in mei 2019 dit niet volledig had rechtgezet.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het BW-dagloon niet hoger kan zijn dan het geïndexeerde dagloon van de oude functie. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde dat de WOPO-regeling duidelijk maakt dat de BW-uitkering maximaal het geïndexeerde oude loon mag bedragen. Appellant erkende dat het niet gaat om wat feitelijk is betaald, maar om het recht op dat moment. De Raad veroordeelde de Stichting in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het BW-dagloon is terecht vastgesteld op € 240,59 en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.