ECLI:NL:CRVB:2022:1103
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag over tweede kwartaal 2018 wegens onvoldoende onderhoudsbijdrage
Appellant heeft kinderbijslag aangevraagd met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2017 voor zijn zoon die vanaf oktober 2016 in een instelling in België verbleef. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft echter vastgesteld dat appellant over het tweede kwartaal van 2018 tot en met het tweede kwartaal van 2019 niet in belangrijke mate heeft bijgedragen in het onderhoud van zijn zoon, waardoor het recht op kinderbijslag werd geweigerd.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard omdat hij niet op een voor de Svb eenvoudig te controleren wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij de vereiste onderhoudsbijdrage heeft geleverd. Appellant heeft facturen overgelegd van een PlayStation en een laptop, maar deze konden niet worden toegerekend aan het onderhoud van zijn zoon. Contante betalingen voor kleding en uitstapjes voldoen niet aan de eis van controleerbaarheid.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald, maar de Centrale Raad van Beroep onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. Ook het verblijf van de zoon bij appellant gedurende 30 dagen per jaar kon niet worden geverifieerd en zou onvoldoende zijn om de onderhoudsbijdrage te rechtvaardigen. De Raad concludeert dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2018 en bevestigt de eerdere uitspraak.
Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 mei 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2018 wordt bevestigd.