ECLI:NL:CRVB:2022:1107
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onvoldoende inlichtingen over ondernemingsactiviteiten
Appellant ontving sinds 2014 bijstand en meldde op 2 april 2019 telefonisch dat hij zijn bijstand wilde beëindigen vanwege het starten van een eigen onderneming. Het college schortte het recht op bijstand op en verzocht om nadere inlichtingen over de aard en omvang van de werkzaamheden. Appellant gaf aan dat de werkzaamheden nog niet waren begonnen, maar verklaarde later dat hij sinds 21 maart 2019 een bedrijf was gestart en een bedrijfspand had gehuurd.
Het college trok bij besluit van 9 maart 2020 de bijstand met ingang van 21 maart 2019 in en vorderde de kosten van bijstand over die periode terug wegens het niet verstrekken van voldoende inlichtingen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij nog geen op geld waardeerbare werkzaamheden had verricht en deed een beroep op het vertrouwensbeginsel.
De Raad oordeelde dat appellant wel degelijk vanaf 21 maart 2019 was begonnen met zijn onderneming en op geld waardeerbare activiteiten verrichtte, zoals blijkt uit verklaringen en bankafschriften. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellant geen aannemelijk bewijs leverde van toezeggingen door het college. Daarnaast had appellant onvoldoende inlichtingen verstrekt ondanks herhaalde verzoeken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens onvoldoende verstrekking van inlichtingen door appellant.