ECLI:NL:CRVB:2022:1139
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van niet-verjaring van UWV-vorderingen en afwijzing bezwaar betalingsregeling
Appellant betwistte dat de vorderingen van het UWV verjaard zouden zijn en stelde dat het besluit tot vaststelling van aflossingscapaciteit onrechtmatig was. De UWV-vorderingen zijn gebaseerd op terugvorderingsbesluiten uit 2006, 2008 en 2009 en een boetebesluit uit 2009.
De Raad stelde vast dat de verjaring van deze vorderingen is gestuit door diverse invorderingshandelingen, waaronder betalingsafspraken vanaf 2007, betalingen in 2007-2009, verrekening in 2011, aanmaningen in 2013 en latere aanmaningsbrieven tot 2016. Hierdoor zijn de vorderingen niet verjaard.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en de Centrale Raad bevestigt deze uitspraak. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Het hoger beroep wordt verworpen en de vaststelling van de aflossingscapaciteit door het UWV blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de vorderingen niet zijn verjaard en wijst het hoger beroep van appellant af.