ECLI:NL:CRVB:2021:39
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als voedingsassistente, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving aanvankelijk een WGA-uitkering. Na bezwaar en herbeoordelingen stelde het UWV dat haar arbeidsongeschiktheid onvoldoende was voor een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische beperkingen onderschat waren en dat de behandelend psycholoog en psychiater onvoldoende werden meegewogen.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts de medische informatie adequaat had vertaald naar arbeidsbeperkingen en dat de behandelend psycholoog en psychiater niet deskundig zijn op het gebied van arbeidsbeperkingen. Ook werd meegewogen dat huishoudelijke taken en opvoeding niet meetellen bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid. De vrijstelling van sollicitatieplicht door de gemeente gaf geen aanleiding tot twijfel aan de medische beoordeling.
De Raad concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid van 32,44% juist was vastgesteld en dat de functies waarop de beoordeling was gebaseerd medisch geschikt waren voor appellante. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende mate van arbeidsongeschiktheid van 32,44%.