Appellant, werkzaam als politieambtenaar, kreeg vanwege een erkende beroepsziekte (PTSS) smartengeld toegekend door de korpschef op basis van artikel 54a van het Barp. De hoogte van het smartengeld werd vastgesteld na medische en arbeidsdeskundige adviezen, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage en resterende verdiencapaciteit werden beoordeeld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de arbeidsdeskundige rapporten onvoldoende gemotiveerd en onnavolgbaar waren, en dat de korpschef de rapporten niet had mogen gebruiken vanwege vermeende onafhankelijkheidsproblemen. De Raad oordeelde dat de arbeidsdeskundige in een aanvullend rapport van 22 maart 2022 voldoende inzicht gaf in de gebruikte functies en methodiek, en dat de onafhankelijkheid van de deskundigen niet ter discussie stond.
De Raad verwierp het betoog dat een ander systeem had moeten worden gebruikt en concludeerde dat het bestreden besluit, hoewel aanvankelijk ondeugdelijk gemotiveerd, door het aanvullende rapport voldoende onderbouwd was. Het hoger beroep werd afgewezen, het bestreden besluit bevestigd, en de korpschef veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.