ECLI:NL:CRVB:2022:129
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering en afwijzing schadevergoeding wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig elektrostatisch verfspuiter, heeft sinds 2012 diverse keren een WIA-uitkering aangevraagd wegens rug-, nek- en psychische klachten, later aangevuld met reumatische klachten. Het UWV heeft meerdere malen vastgesteld dat zijn arbeidsongeschiktheid onder de 35% lag, waardoor geen recht op WIA-uitkering bestond. Na herbeoordeling in 2019 en 2020 werd de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op circa 46%, waarna het UWV alsnog een WGA-vervolguitkering toekende met terugwerkende kracht vanaf maart 2018.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn reumatische klachten ten onrechte buiten beschouwing waren gelaten en dat hij door incidentele bedlegerigheid volledig arbeidsongeschikt zou zijn. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de reumatische klachten pas in 2019 zijn ontstaan en niet dezelfde oorzaak hebben als eerdere beperkingen. Ook is geen sprake van structurele bedlegerigheid die tot volledige arbeidsongeschiktheid leidt. De medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijsten zijn zorgvuldig opgesteld en gemotiveerd.
De Raad concludeert dat het UWV de juiste medische en arbeidskundige beoordeling heeft gemaakt en dat de geselecteerde functies medisch passend zijn. Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er is geen grond voor schadevergoeding of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de WIA-uitkering en het verzoek om schadevergoeding bevestigd.