ECLI:NL:CRVB:2022:1290
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na eerstejaarsbeoordeling bevestigd
Appellant was werkzaam als verhuizer en viel uit na een bedrijfsongeval met hersenschudding. Het UWV stelde op basis van een medische en arbeidskundige beoordeling vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde daarom de Ziektewetuitkering per 26 juli 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijst (FML) voldoende objectief waren en de arbeidsdeskundige passende functies had geselecteerd. De subjectieve klachten van appellant, zoals hoofdpijn en burn-out, werden niet doorslaggevend geacht.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet in staat was de functies te vervullen en overhandigde hij een second opinion en een rechterlijke beschikking uit 2011, maar deze leverden geen nieuwe medische inzichten op. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de beëindiging van de uitkering.
De Raad oordeelde dat de beoordeling van het UWV conform de wettelijke bepalingen was uitgevoerd en dat appellant onvoldoende medische informatie had overgelegd om het oordeel te wijzigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.