Betrokkene, werkzaam als politieambtenaar, kreeg een posttraumatische stressstoornis (PTSS) erkend als beroepsziekte. De korpschef kende smartengeld toe op grond van artikel 54a van het Barp, gebaseerd op een arbeidsdeskundig onderzoek. Betrokkene maakte bezwaar tegen de hoogte van het toegekende bedrag.
De rechtbank vernietigde het besluit van de korpschef omdat het arbeidsdeskundig rapport onvoldoende inzichtelijk en toetsbaar was. De korpschef stelde een nieuw besluit vast, ondersteund door een nieuw arbeidsdeskundig rapport dat volgens de Raad voldoende gemotiveerd en inzichtelijk was.
In hoger beroep stelde de korpschef dat het eerste arbeidsdeskundig rapport wel degelijk voldoende was, maar dit werd door de Raad verworpen vanwege gebrek aan transparantie en verifieerbaarheid. Betrokkene stelde dat de deskundigen niet onafhankelijk waren en dat het nader besluit onvoldoende gemotiveerd was, maar ook deze bezwaren werden afgewezen.
De Raad concludeerde dat het rapport van 18 augustus 2021 zorgvuldig en voldoende gemotiveerd is en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank. Het beroep tegen het nader besluit werd ongegrond verklaard en de korpschef werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.