Uitspraak
18.4122 ZW, 18/4123 WIA
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als machinebediende/inpakker en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze na een medisch en arbeidskundig onderzoek waarbij werd vastgesteld dat appellant geschikt was voor bepaalde functies en meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen.
Appellant maakte bezwaar tegen de beëindiging van de ZW-uitkering en de afwijzing van een WIA-uitkering, stellende dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, onder meer vanwege het ontbreken van een onafhankelijke tolk en psychiater, en dat zijn beperkingen groter waren dan vastgesteld. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en bracht een nieuw expertiserapport in. Het UWV leverde aanvullende medische rapporten ter onderbouwing van haar standpunt. De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht, dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren. De Raad zag geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige en bevestigde de eerdere uitspraak.
De ZW-uitkering werd terecht beëindigd per 27 februari 2017 en de WIA-uitkering geweigerd wegens het niet voltooien van de wachttijd van 104 weken. Ook de beëindiging van de ZW-uitkering per 29 september 2017 werd bevestigd. De Raad oordeelde dat de medische gegevens en rapportages geen aanleiding gaven tot een ander oordeel over de belastbaarheid van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de ZW- en WIA-uitkering van appellant.