ECLI:NL:CRVB:2022:1333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na geschiktheid voor WIA-functies bevestigd
Appellante was voor het laatst werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek met diverse klachten. Het UWV weigerde haar een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt werd geacht voor functies als chauffeur heftruck en productiemedewerker.
Later ontving appellante een Ziektewetuitkering, die het UWV per 3 juli 2019 beëindigde op basis van een medische beoordeling dat zij geschikt was voor ten minste één van de WIA-functies, met name productiemedewerker industrie. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar lichamelijke en psychische klachten haar meer beperkten dan door het UWV werd aangenomen, mede door medicatiegebruik. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd was, dat de klachten niet wezenlijk waren veranderd en dat de functie van productiemedewerker industrie licht belastend is.
De Raad concludeerde dat appellante op goede gronden geschikt is voor ten minste één van de functies en bevestigde de beëindiging van de Ziektewetuitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht per 3 juli 2019 beëindigd omdat zij geschikt is voor ten minste één van de WIA-functies.