ECLI:NL:CRVB:2022:1336
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing medische afzakker bij WIA-uitkering trambestuurder
Appellante, voormalig trambestuurder bij het GVB, meldde zich ziek en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV berekende haar arbeidsongeschiktheid op basis van haar laatst verrichte werk van circa 24 uur per week en wees haar bezwaar af waarin zij stelde als medische afzakker te moeten worden aangemerkt.
De rechtbank oordeelde dat appellante onvoldoende medische onderbouwing had geleverd dat haar urenvermindering objectief medisch noodzakelijk was en dat het UWV terecht geen nader onderzoek hoefde te doen. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt met aanvullende medische stukken, waaronder een fysiotherapeutisch bericht en een rapport van Houberg Advies.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. Uit het dossier bleek geen overleg met een bedrijfsarts over de urenvermindering en geen objectieve medische noodzaak. De verzekeringsarts en de Raad concludeerden dat de urenvermindering niet medisch noodzakelijk was en dat appellante niet als medische afzakker kon worden aangemerkt.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.