Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd uitgenodigd voor gesprekken op 15 en 17 mei 2018 vanwege vermoedens van samenwoning met de vader van haar kinderen. De uitnodigingen werden kort voor de gesprekken bezorgd (minder dan 72 uur). Appellante verscheen niet en leverde de gevraagde gegevens niet aan. Het college schortte daarop haar bijstand op en trok deze in.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar in hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat appellante niet te verwijten viel dat zij niet op de gesprekken verscheen. Zij had gemotiveerd gesteld dat zij de uitnodigingen pas na de geplande gesprekken had gezien vanwege persoonlijke omstandigheden en een te korte reactietermijn.
De Raad wijzigde het uitgangspunt dat post in de brievenbus tijdig is ontvangen als de termijn tussen uitnodiging en gesprek minder dan 72 uur bedraagt. Gelet hierop was het college niet bevoegd tot opschorting en intrekking van de bijstand. De Raad vernietigde het bestreden besluit en herroept de opschortings- en intrekkingsbesluiten, waardoor het college de bijstand moet doorbetalen over de periode 15 mei tot en met 6 juni 2018.
Verder veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen bijstand en tot vergoeding van de proceskosten van appellante. Ook werd het betaalde griffierecht vergoed.