Uitspraak
20 3290 ANW
PROCESVERLOOP
mr. I. Pieterse.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) en woonde op een uitkeringsadres. De Sociale verzekeringsbank (Svb) voerde onderzoek uit naar haar woonsituatie na signalen dat haar ex-partner daar verbleef. Uit meerdere huisbezoeken en verklaringen bleek dat de ex-partner het merendeel van de dagen en nachten op het uitkeringsadres verbleef, er sprake was van gezamenlijke huishouding en dat persoonlijke spullen van de ex-partner aanwezig waren.
De Svb trok daarom de nabestaandenuitkering in vanaf 1 augustus 2018 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding, wat volgens de Anw het recht op uitkering beëindigt. Appellante voerde aan dat haar verklaring tijdens het huisbezoek niet juist was weergegeven en dat haar ex-partner slechts incidenteel verbleef, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De Raad oordeelde dat de verklaring van appellante, die zij ondertekende, als juist mag worden aangenomen en dat de Svb voldoende bewijs had verzameld. De gezamenlijke huishouding was daarmee vastgesteld en het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding met de ex-partner wordt bevestigd.