ECLI:NL:CRVB:2022:1356

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juni 2022
Publicatiedatum
24 juni 2022
Zaaknummer
21/3372 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7a AKWArt. 14, derde lid, AKW
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing eerdere aanvraag dubbele kinderbijslag wegens wettelijke termijn

Appellant verzocht om dubbele kinderbijslag voor zijn zoon die intensieve zorg nodig heeft. Hij stelde dat eerdere telefoongesprekken in 2015 en 2016 als aanvraag moesten worden gezien, waardoor het recht op dubbele kinderbijslag eerder zou ingaan dan het eerste kwartaal van 2019.

De Raad overwoog dat uit de telefoongesprekken niet blijkt dat een aanvraag voor dubbele kinderbijslag is gedaan. De wettelijke regeling in artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) bepaalt dat het recht niet eerder kan ingaan dan het kwartaal waarin de aanvraag is gedaan. De mogelijkheid tot terugwerkende kracht is sinds 2016 niet meer opgenomen in de wet.

De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Raad bevestigt dit oordeel. De getuigenverklaringen over eerdere gesprekken wegen niet op tegen de officiële telefoongespreksverslagen en besluiten van de Sociale verzekeringsbank (Svb). De aanvraag van 27 maart 2019 is de eerste geldige aanvraag voor dubbele kinderbijslag.

De Raad wijst ook het betoog van appellant af dat de Svb onvoldoende zou hebben geïnformeerd over zijn rechten. De vaste rechtspraak stelt dat er geen informatieplicht van de Svb bestaat in deze context.

Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Limburg wordt bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de ingangsdatum van dubbele kinderbijslag blijft het eerste kwartaal van 2019.

Uitspraak

21.3372 AKW

Datum uitspraak: 17 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 augustus 2021, 19/2797 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.P.F. Rober, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2022. Appellant is via beeldbellen verschenen, bijgestaan door mr. Rober. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft op 27 maart 2019 dubbele kinderbijslag aangevraagd voor zijn zoon [naam zoon] die thuis woont en intensieve zorg nodig heeft. Met het besluit van 24 juni 2019 heeft de Svb aan appellant met ingang van het eerste kwartaal van 2019 dubbele kinderbijslag voor [naam zoon] toegekend op grond van artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
1.2.
In een beslissing van 2 september 2019 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant, dat zag op de ingangsdatum van de dubbele kinderbijslag voor [naam zoon] , ongegrond verklaard.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit artikel 14 van Pro de AKW dat het recht op dubbele kinderbijslag niet eerder kan ingaan dan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is ingediend. Nu de aanvraag door appellant is ingediend op 27 maart 2019 heeft de Svb terecht de ingangsdatum vastgesteld op het eerste kwartaal van 2019. Van een eerdere aanvraag is niet gebleken. De twee getuigenverklaringen die door appellant zijn overgelegd, waarin is verklaard dat al in 2015 over dubbele kinderbijslag is gesproken tussen appellant en de Svb, komen niet overeen met de telefoonverslagen die door de Svb zijn ingezonden en leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant gesteld dat het telefoongesprek van 17 december 2015 moet worden gezien als een aanvraag voor dubbele kinderbijslag voor [naam zoon] . Appellant heeft verwezen naar twee overgelegde getuigenverklaringen, waarin staat dat hem telefonisch is medegedeeld dat hij geen recht had op dubbele kinderbijslag. Ook het telefoongesprek van 1 februari 2016 kan worden gezien als een aanvraag voor dubbele kinderbijslag. Als deze telefoongesprekken niet als aanvraag voor dubbele kinderbijslag kunnen worden gezien, is het volgens appellant aan de Svb te wijten dat een eerdere aanvraag niet tot stand is gekomen. Het was voor de Svb duidelijk dat zijn zoon al veel eerder intensieve zorg nodig had, waardoor appellant meent recht te hebben op dubbele kinderbijslag vanaf een eerder kwartaal.
3.2.
De Svb verzoekt de Raad de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 7a van de AKW kan een verzekerde recht hebben op dubbele kinderbijslag als aan de in dat artikel genoemde voorwaarden is voldaan. In artikel 14, derde lid, van de AKW is bepaald dat het recht op dubbele kinderbijslag niet eerder kan ingaan dan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welke de aanvraag is gedaan. De mogelijkheid voor de Svb om wegens bijzondere omstandigheden dubbele kinderbijslag met een verdere terugwerkende kracht te verlenen is sinds 1 januari 2016 niet meer in de wet opgenomen.
4.2.
Volgens appellant heeft hij met het telefoongesprek van 17 december 2015 een aanvraag voor dubbele kinderbijslag gedaan en moet van deze aanvraagdatum worden uitgegaan. Dit standpunt volgt de Raad niet. Uit het verslag van dit gesprek blijkt niet dat een mogelijk recht op dubbele kinderbijslag aan de orde is geweest tijdens dit gesprek. Voor zover uit de getuigenverklaringen kan worden opgemaakt dat wel over dubbele kinderbijslag is gesproken, is het niet vreemd dat zou zijn gezegd dat daarop geen recht bestond. Volgens het verslag ging [naam zoon] immers op dat moment ‘van hot naar her’ en kwam hij alleen in het weekend thuis, zodat hij niet als thuiswonend kon worden gezien, wat een voorwaarde is voor het ontvangen van dubbele kinderbijslag wegens intensieve zorg. Hierbij wordt opgemerkt dat niet is opgekomen tegen het besluit van 7 januari 2016, gericht aan de toen bij appellant inwonende partner. In dit besluit is enkelvoudige kinderbijslag voor [naam zoon] toegekend vanaf het vierde kwartaal van 2015 met de mededeling dat [naam zoon] niet thuis woont, maar dat wel aan de onderhoudseis wordt voldaan. Appellant en zijn partner hadden samen de partner als aanvrager voor de kinderbijslag aangewezen.
4.3.
De stelling van appellant dat het telefoongesprek van 1 februari 2016 als een aanvraag om dubbele kinderbijslag moet worden gezien en van deze aanvraagdatum moet worden uitgegaan, slaagt evenmin. Volgens het verslag van dit gesprek heeft appellant medegedeeld dat zijn partner niet langer bij hem in huis woont en hij de kinderbijslag wil aanvragen voor [naam zoon] . Hieruit blijkt niet dat appellant om dubbele kinderbijslag heeft verzocht. Vervolgens heeft de Svb het besluit van 1 april 2016 genomen, waarin vanaf het tweede kwartaal van 2016 aan appellant enkelvoudige kinderbijslag voor [naam zoon] is toegekend. Ook hiertegen is niet opgekomen.
4.4.
Eerst op 27 maart 2019 heeft appellant zich opnieuw bij de Svb gemeld en verzocht om dubbele kinderbijslag. Het dwingend geformuleerde artikel 14, derde lid, van de AKW biedt niet de mogelijkheid om het recht op dubbele kinderbijslag met ingang van een eerdere datum dan het eerste kwartaal van 2019 toe te kennen. Met betrekking tot het betoog van appellant dat de Svb hem onvoldoende op zijn rechten heeft gewezen, wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak dat van een informatieplicht van de Svb geen sprake is, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4434.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en P. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van E.J. van der Veldt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2022.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) E.J. van der Veldt