ECLI:NL:CRVB:2022:1356
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing eerdere aanvraag dubbele kinderbijslag wegens wettelijke termijn
Appellant verzocht om dubbele kinderbijslag voor zijn zoon die intensieve zorg nodig heeft. Hij stelde dat eerdere telefoongesprekken in 2015 en 2016 als aanvraag moesten worden gezien, waardoor het recht op dubbele kinderbijslag eerder zou ingaan dan het eerste kwartaal van 2019.
De Raad overwoog dat uit de telefoongesprekken niet blijkt dat een aanvraag voor dubbele kinderbijslag is gedaan. De wettelijke regeling in artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) bepaalt dat het recht niet eerder kan ingaan dan het kwartaal waarin de aanvraag is gedaan. De mogelijkheid tot terugwerkende kracht is sinds 2016 niet meer opgenomen in de wet.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Raad bevestigt dit oordeel. De getuigenverklaringen over eerdere gesprekken wegen niet op tegen de officiële telefoongespreksverslagen en besluiten van de Sociale verzekeringsbank (Svb). De aanvraag van 27 maart 2019 is de eerste geldige aanvraag voor dubbele kinderbijslag.
De Raad wijst ook het betoog van appellant af dat de Svb onvoldoende zou hebben geïnformeerd over zijn rechten. De vaste rechtspraak stelt dat er geen informatieplicht van de Svb bestaat in deze context.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Limburg wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de ingangsdatum van dubbele kinderbijslag blijft het eerste kwartaal van 2019.