Appellant had een maatwerkvoorziening professionele begeleiding ontvangen via een persoonsgebonden budget (pgb) van het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg voor een overgangsperiode in 2018. Het college had bepaald dat appellant ook niet-professionele begeleiding mocht inkopen bij een begeleider. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat appellant professionele ondersteuning nodig had en de begeleider deze niet kon bieden.
Appellant stelde in hoger beroep dat het college onzorgvuldig onderzoek had verricht en onvoldoende had gemotiveerd waarom professionele begeleiding noodzakelijk was. Tevens betoogde hij dat een voorwaarde aan het pgb zijn keuzevrijheid beperkte. De Raad oordeelde dat het college het onderzoek niet conform wettelijke vereisten had uitgevoerd, zoals het vaststellen van de hulpvraag, de problemen bij zelfredzaamheid en participatie, en het inwinnen van deskundig advies indien nodig.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, en gaf het college de opdracht een nieuw, zorgvuldig onderzoek te verrichten. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant en werd bepaald dat tegen de nieuwe beslissing alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld.