ECLI:NL:CRVB:2022:1374
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellante, voormalig productiemedewerker, meldde zich in 2015 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na beëindiging van haar dienstverband ontving zij een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde in 2016 vast dat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen, waardoor de ZW-uitkering werd stopgezet. Appellante meldde zich in 2016 opnieuw ziek en ontving opnieuw een ZW-uitkering. In 2018 vroeg zij een WIA-uitkering aan, die het UWV weigerde toe te kennen omdat zij de wachttijd niet had doorlopen en minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de medische beperkingen adequaat waren vastgesteld. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar lichamelijke en psychische beperkingen waren onderschat, onder meer vanwege een hernia met wortelbeïnvloeding en onvoldoende rekening met medicatiegebruik. Tevens stelde zij dat het UWV onterecht haar proceskosten had afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld op minder dan 35%. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling, ook niet aan de inschatting van radiculaire prikkeling of psychische klachten. De functie waarin appellante geschikt werd geacht, was medisch passend ondanks medicatiegebruik. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat het oorspronkelijke besluit niet was herroepen. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om een WIA-uitkering toe te kennen aan appellante.