ECLI:NL:CRVB:2022:1376
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing ziekengeld na zorgvuldige verzekeringsgeneeskundige beoordeling
Appellante, laatstelijk werkzaam als administratief medewerker, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek stelde het UWV vast dat zij per 25 mei 2018 geen recht meer had op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen met andere functies. Appellante maakte bezwaar, dat aanvankelijk werd afgewezen, maar de rechtbank vernietigde het besluit later deels.
In de periode daarna heeft het UWV opnieuw vastgesteld dat appellante per 19 augustus 2019 en 8 oktober 2019 geen recht meer had op ziekengeld, gebaseerd op verzekeringsartsrapporten die haar geschikt achtten voor bepaalde functies. Appellante voerde aan dat haar medische situatie was verslechterd, onder meer door ernstige PTSS en depressie, en dat er meer beperkingen, waaronder een urenbeperking, moesten worden aangenomen.
De rechtbank oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de medische rapporten juist waren. De Raad onderschrijft dit oordeel en stelt vast dat de medische stukken geen objectief bewijs leveren voor een verslechtering sinds de EZWb. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd waarom geen extra beperkingen nodig zijn, ook voor handen en polsen. Er is geen noodzaak voor een onafhankelijk deskundige of extra arbeidskundig onderzoek.
De Raad concludeert dat appellante onverminderd geschikt is voor ten minste één van de EZWb-functies en bevestigt de aangevallen uitspraak dat zij geen recht meer heeft op ziekengeld per de genoemde data.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld per 19 augustus 2019 en 8 oktober 2019 omdat zij geschikt is voor ten minste één van de EZWb-functies.