Uitspraak
21.2602 AOW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was geconfronteerd met een korting van 6% op zijn AOW-ouderdomspensioen wegens schuldige nalatigheid over de jaren 2002 tot en met 2004. Na een rechterlijke uitspraak van 13 mei 2016 bleek dat de Belastingdienst ten onrechte onbetaalde premies had gemeld, waardoor de Sociale Verzekeringsbank (Svb) het pensioen van appellant heeft herzien met ingang van mei 2016 en een bedrag inclusief rente heeft nagevorderd.
Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening en stelde dat het pensioen met ingang van augustus 2007 verhoogd had moeten worden. De Svb wees dit bezwaar af, waarna appellant beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De rechtbank Gelderland had het beroep reeds ongegrond verklaard.
De Raad oordeelde dat het oorspronkelijke besluit over de korting vanaf augustus 2007 in rechte vaststaat en niet meer kan worden herzien met terugwerkende kracht tot die datum. De Svb heeft de herziening terecht toegepast vanaf de datum van de rechterlijke uitspraak in 2016, conform het geldende beleid omtrent terugwerkende kracht bij beleidswijzigingen na rechterlijke uitspraken.
Het verzoek van appellant om het pensioen met terugwerkende kracht vanaf 2007 te verhogen en om schadevergoeding werd afgewezen. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek tot vergoeding van schade af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de herziening van het AOW-pensioen met terugwerkende kracht vanaf de datum van de rechterlijke uitspraak terecht is toegepast en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.