ECLI:NL:CRVB:2022:1422
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Mate van arbeidsongeschiktheid correct vastgesteld na zorgvuldige medische beoordeling
Appellant, voormalig heftruckchauffeur, meldde zich ziek met lage rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV kende aanvankelijk een uitkering toe op basis van 45,35% arbeidsongeschiktheid, maar appellant maakte bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld.
In hoger beroep stelde appellant dat functies waarbij veel zitten vereist is onterecht als geschikt werden aangemerkt, terwijl dit eerder was afgewezen. Na verzoek om nadere toelichting nam het UWV een nieuw besluit waarbij de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 76,59%. Appellant was het hier niet mee eens.
De Raad vernietigde het eerdere besluit en oordeelde dat het nieuwe besluit voldoende medisch en arbeidskundig was onderbouwd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had een gedegen rapport opgesteld waarin de beperkingen van appellant waren aangepast, rekening houdend met compressieklachten en wortelprikkeling. De arbeidsdeskundige had geschikte functies geselecteerd die passen binnen de belastbaarheid van appellant.
De Raad wees het beroep tegen het nieuwe besluit af en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en navolgbare medische en arbeidskundige beoordeling bij het vaststellen van arbeidsongeschiktheid.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is juist vastgesteld op 76,59%, het beroep tegen dit besluit wordt ongegrond verklaard.