ECLI:NL:CRVB:2022:143
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-wonen op BRP-adres
Appellante stond ingeschreven op een BRP-adres waar ook een echtpaar woonde. Zij ontving studiefinanciering als uitwonende studente. Na een huisbezoek door controleurs concludeerde de minister dat appellante niet op het BRP-adres woonde en herzag de studiefinanciering naar thuiswonend, met terugvordering van €1.472,35.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvolledig was en dat de verklaring van de hoofdbewoonster onbetrouwbaar was, mede vanwege haar leeftijd en gezondheid. Ook stelde zij dat haar tijdelijke inwoning en de burenverklaringen onvoldoende in acht waren genomen.
De Raad oordeelde dat de bevindingen van het huisbezoek voldoende feitelijke grondslag boden om te concluderen dat appellante niet woonde op het BRP-adres. De verklaring van de hoofdbewoonster werd als betrouwbaar beschouwd en er waren geen aanwijzingen om daarvan af te wijken. De afwezigheid van persoonlijke spullen van appellante op het adres en de verklaringen van buren ondersteunden dit oordeel.
De verklaring van de kleinzoon, die stelde dat appellante in een deel van de periode wel op het adres woonde, was niet onomstotelijk en werd door de Raad niet doorslaggevend geacht. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; studiefinanciering herzien naar thuiswonend wegens niet-wonen op BRP-adres.