Betrokkene, met een lichte verstandelijke beperking, kreeg bij besluit van 16 januari 2017 een maatwerkvoorziening individuele begeleiding toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor 2 uur en 30 minuten per week voor de periode 2017-2021. Het college wijzigde dit in november 2017 naar zorg in natura (ZIN) vanwege zorgen over de zorgaanbieder [zorghuis], die fraudegevoelig en van onvoldoende kwaliteit werd geacht.
De rechtbank vernietigde het besluit tot intrekking van de maatwerkvoorziening en oordeelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de kwaliteit van de zorg en de noodzaak van de maatwerkvoorziening. Het college nam daarop een nieuw besluit waarin het de maatwerkvoorziening alsnog introk met terugwerkende kracht per 1 november 2017, wat betrokkene aanvocht.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het college geen ruimte had om de maatwerkvoorziening met terugwerkende kracht in te trekken. Betrokkene heeft voldoende procesbelang omdat hij de zorg van [zorghuis] blijft afnemen en vreest voor financiële gevolgen. Het beroep van betrokkene slaagt, het besluit tot intrekking wordt vernietigd en het recht op pgb voor de volledige periode 2017-2021 wordt bevestigd.
Daarnaast veroordeelt de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene en legt griffierecht op. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldig onderzoek en het waarborgen van continuïteit van zorg bij wijzigingen in maatwerkvoorzieningen.