Appellante ontving een nabestaandenuitkering van juni 2002 tot september 2018. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) trok deze uitkering in en vorderde terug wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met X, wat volgens de Svb niet was gemeld.
De Raad beoordeelde of appellante en X hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres en of sprake was van wederzijdse zorg. Voor de periode tot 15 juli 2011 was het bewijs onvoldoende om het gezamenlijke hoofdverblijf aan te tonen, ondanks verklaringen van buurtbewoners en waterverbruikgegevens. Vanaf 15 juli 2011 was het hoofdverblijf van X op het uitkeringsadres aannemelijk, mede door gezamenlijke bankrekeningen en andere gegevens.
De Raad concludeerde dat vanaf die datum sprake was van wederzijdse zorg, gelet op financiële verstrengeling en gezamenlijke bankrekeningen. Appellante had de Svb hierover niet geïnformeerd, waardoor de intrekking van de uitkering vanaf 15 juli 2011 gerechtvaardigd is.
De Raad vernietigde het besluit voor de periode tot 15 juli 2011 en de terugvordering over die periode, en droeg de Svb op een nieuw besluit te nemen over de terugvordering. Tevens werd de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellante.