Appellante ontving sinds 2012 bijstand op grond van de Participatiewet. Het college stelde een onderzoek in naar haar handel via Marktplaats, waarbij bleek dat zij meubels van een derde, X, via haar accounts aanbood. Het college trok de bijstand over de periode 2012-2017 in en vorderde € 78.641,66 terug wegens vermeende schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep stelde appellante dat het college vanaf het begin op de hoogte was van de marktplaatshandel en dat zij daarom niet in gebreke was gebleven. De Raad oordeelde dat het college inderdaad vanaf het begin kennis had van de advertenties voor X en dat het college de bijstand onverkort heeft voortgezet zonder bezwaar.
De Raad concludeerde dat het college niet aan zijn bewijslast heeft voldaan om de intrekking te rechtvaardigen. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en het primaire besluit van intrekking en terugvordering, en bepaalde dat appellante het bedrag niet hoeft terug te betalen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en reiskosten van appellante.