ECLI:NL:CRVB:2022:1448

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juni 2022
Publicatiedatum
5 juli 2022
Zaaknummer
21/1542 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren tegen intrekking en terugvordering bijstand niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken bezwaargronden

Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft de bijstand opgeschort en later ingetrokken vanwege verblijf in het buitenland langer dan toegestaan. Tevens werd bijstand teruggevorderd over bepaalde periodes.

Appellante maakte pro-forma bezwaar zonder gronden en zonder ondertekening. Het college stuurde herstelverzuimbrieven naar het adres van de gemachtigde zoals vermeld in het bezwaarschrift, waarop appellante niet reageerde. Het bezwaar werd daarop niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de herstelverzuimbrieven niet op regelmatige wijze aan het juiste adres van de gemachtigde waren aangeboden, omdat het kantoor was verhuisd. De Raad oordeelde dat het college de brieven correct had verzonden naar het adres in het bezwaarschrift en dat appellante geen tijdig kenbaar had gemaakt dat het adres was gewijzigd.

De Raad bevestigde dat het college bevoegd was het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren na het bieden van gelegenheid tot herstel van het verzuim. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het bezwaar wordt terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bezwaargronden en het niet tijdig herstellen van het verzuim.

Uitspraak

21/1542 PW, 21/1543 PW en 21/1544 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 maart 2021, 20/1831, 20/1832 en 20/1833 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 14 juni 2022
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.B. Jobse, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen niet binnen de gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord.
Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving bijstand ingevolge de Participatiewet.
1.2.
Bij besluit van 6 november 2019 heeft het college de bijstand met ingang van 1 november 2019 opgeschort.
1.3.
Bij besluit van 25 november 2019 (besluit 1) heeft het college het recht op bijstand van appellante met ingang van 8 september 2019 ingetrokken op de grond dat appellante langer dan het maximum aantal toegestane dagen in het buitenland heeft verbleven en nog steeds in het buitenland verblijft. Bij besluit van eveneens 25 november 2019 (besluit 2) heeft het college de verstrekte bijstand van appellante over de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 oktober 2019 teruggevorderd tot een bedrag van € 810,84. Bij besluit van 27 november 2019 (besluit 3) heeft het college de verstrekte bijstand van appellante over de periode van 8 september 2019 tot en met 30 september 2019 teruggevorderd tot een bedrag van € 752,21.
1.4.
Bij e-mail van 25 december 2019 heeft de gemachtigde van appellante pro-forma bezwaar gemaakt tegen de besluiten 1 tot en met 3. Het pro-forma bezwaarschrift bevat geen gronden en is niet ondertekend.
1.5.
Bij aangetekende post verzonden drie brieven van 2 januari 2020 heeft het college appellante in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 30 januari 2020 de geconstateerde verzuimen te herstellen. Daarbij is vermeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet binnen de gestelde termijn de verzuimen worden hersteld.
1.6.
Bij besluiten van 25 februari 2020 en 26 februari 2020 (bestreden besluiten 1 tot en met 3) heeft het college het bezwaar van appellante tegen de onder 1.3 vermelde besluiten niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het college de herstelverzuimbrieven niet via PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de gemachtigde heeft aangeboden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 6:5 van Pro de Awb moet een bezwaarschrift zijn ondertekend en onder meer de gronden van het bezwaar vermelden. Artikel 6:6 van Pro de Awb bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan, voor zover hier van belang, de vereisten van artikel 6:5, op voorwaarde dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn. Tussen partijen is in geschil of het college appellante de gelegenheid heeft geboden dat verzuim te herstellen.
4.2.
Met de rechtbank moet worden vastgesteld dat bij het indienen per e-mail van het bezwaarschrift op 25 december 2019 de bezwaargronden hebben ontbroken en dat het bezwaarschrift niet is ondertekend.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak moet, als de verzender een document dat rechtens van belang is per aangetekende post heeft verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Vergelijk de uitspraak van 7 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8499.
4.4.
Het college heeft de herstelverzuimbrieven van 2 januari 2020 per aangetekende verzending aangeboden aan PostNL. In het elektronisch volgsysteem is vermeld dat PostNL de herstelverzuimbrieven op 3 januari 2020 op twee verschillende tijdstippen heeft aangeboden op het adres [adres] in [plaats 1] en dat na de laatste aanbieding afhaalberichten zijn achtergelaten. Appellante heeft niets aangevoerd dat aanleiding geeft om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen.
De grond dat het college de herstelverzuimbrieven niet op regelmatige wijze aan het adres van de gemachtigde heeft aangeboden, omdat de gemachtigde van appellante met zijn kantoor was verhuisd van het adres [adres] in [plaats 1] naar [adres 2] in [plaats 1] , slaagt niet. Het college heeft de herstelverzuimbrieven gezonden naar het adres van de gemachtigde zoals vermeld stond in het pro-forma bezwaarschrift van de gemachtigde van appellante. Nadien heeft de gemachtigde van appelante niet bij het college kenbaar gemaakt dat hij met zijn kantoor is verhuisd. Dat onderaan de e-mail correspondentie van 7 januari 2020 en 12 februari 2020 van de gemachtigde van appellante [adres 2] is vermeld maakt het voorgaande niet anders, in die zin dat het college alsnog verzuimherstelbrieven ook naar het adres [adres 2] in [plaats 1] had moeten sturen.
4.5.
Het vorenstaande betekent dat het college appellante de gelegenheid heeft geboden het verzuim te herstellen. Het college was bevoegd het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren nadat het gelegenheid had geboden het gebrek te herstellen. Het moet voor risico van appellante worden gelaten dat zij geen gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid. Uit wat appellante heeft aangevoerd volgt daarom niet dat het college niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot niet-ontvankelijkverklaring gebruik heeft kunnen maken.
4.6.
Uit 4.3 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van B. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2022.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) B. van Dijk