ECLI:NL:CRVB:2022:1453
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaam gescheiden leven bij geregistreerd partnerschap voor AOW-pensioen
Appellant heeft een AOW-ouderdomspensioen aangevraagd op grond van de ongehuwdennorm, omdat hij permanent apart woont van zijn geregistreerde partner. De Sociale verzekeringsbank kende hem echter een pensioen toe volgens de gehuwdennorm en verklaarde zijn bezwaar ongegrond. De rechtbank stelde zich op het standpunt dat er geen sprake was van duurzaam gescheiden leven.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor duurzaam gescheiden leven, namelijk dat hij en zijn partner niet meer samenwonen, ieder een eigen leven leiden alsof zij niet partners zijn, en niet van plan zijn weer samen te wonen. De Raad overwoog dat het geregistreerd partnerschap juridische gevolgen heeft en dat duurzaam gescheiden leven slechts geldt in uitzonderingssituaties.
De Raad stelde vast dat ondanks het aparte wonen, uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat appellant en zijn partner niet ondubbelzinnig een eigen leven leiden zonder onderlinge zorg en financiële verwevenheid. Zij zijn samen eigenaar van een boerderij, hebben regelmatig contact en delen sleutels. Dit duidt op een vorm van zorg en financiële verbondenheid, waardoor appellant niet als duurzaam gescheiden wordt aangemerkt.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank dat appellant geen recht heeft op een ongehuwdenpensioen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Appellant leeft niet duurzaam gescheiden van zijn geregistreerde partner en heeft geen recht op een ongehuwdenpensioen.