In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vraag centraal of het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug het terugvorderingsbedrag over augustus 2015 correct had berekend en besloten conform een eerdere uitspraak van de Raad. De eerdere uitspraak had bepaald dat het dagelijks bestuur slechts het terugvorderingsbedrag over augustus 2015 diende te berekenen en een nieuwe beslissing op bezwaar moest nemen.
Het dagelijks bestuur had echter ook beslist over de intrekking van de bijstand, terugvordering vanaf september 2015 en de terugvordering van de (ex-)partner, wat buiten de opdracht van de eerdere uitspraak viel. De Raad oordeelde dat dit onjuiste uitvoering was en vernietigde het bestreden besluit.
De Raad stelde zelf het terugvorderingsbedrag over augustus 2015 vast op € 1.587,44 bruto en bepaalde dat appellante en haar (ex-)partner hoofdelijk aansprakelijk zijn voor deze terugvordering. Verzoeken van appellante over proceskostenvergoeding en nabetaling van bijstand buiten deze periode vielen buiten de omvang van het geding.
Het dagelijks bestuur werd veroordeeld in de proceskosten van appellante en moest het betaalde griffierecht vergoeden. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit van 2 juni 2021.