Appellant en appellante ontvingen bijstand over verschillende periodes. Het dagelijks bestuur trok de bijstand in wegens het niet melden van onroerend goed in Marokko en de schenking daarvan, en onduidelijkheid over de middelen waarmee het onroerend goed was bekostigd. De Raad onderscheidde drie periodes: periode 1 (1 september 2008 tot 12 mei 2014), periode 2 (13 mei 2014 tot 27 oktober 2014) en periode 3 (11 februari 2015 tot 30 maart 2017).
In periode 1 was appellant juridisch eigenaar van het onroerend goed en kon hij erover beschikken, waardoor het recht op bijstand nihil was. In periode 2 was het onroerend goed geschonken aan zijn vader, waardoor het niet meer tot zijn vermogen behoorde en het recht op bijstand mogelijk wel kon worden vastgesteld. De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur onvoldoende feitelijke grondslag en motivering had voor de intrekking over periode 2.
In periode 3 werd appellant aangetroffen met contant geld, wat als inkomen moest worden aangemerkt voor de maand augustus 2015, waardoor geen recht op bijstand bestond in die maand. Voor de overige maanden van periode 3 ontbrak een feitelijke grondslag voor intrekking. De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de intrekking over periode 2 en periode 3 (met uitzondering van augustus 2015) betrof en bepaalde dat het dagelijks bestuur een nieuw besluit moet nemen. Tevens werden kosten aan appellanten toegekend.